Net uit: X-Rated
X-Rated werd met zes andere verhalen genomineerd voor het beste korte verhaal van de schrijfwedstrijd 'De trieste dag' georganiseerd door het Salon van Weleer, en werd te Utrecht voorgedragen op 18 januari 2026
X-Rated
Mijn slechtste dag kon niet meer stuk
Het moet kunnen, dacht ik. X staat er vol van: oneliners, niemendalletjes, prutswerkjes van een paar woorden, soms een paar zinnen, soms bloedserieus, maar meestal overlopend van heimwee, depressieve praat, vaak over ziektes waartegen geen pil bestand is. Soms zijn ze aaneengeregen zoals snottebellen uit een loopneus. Troosteloosheid viert de boventoon in het X-tranendal. Maar dat wisten we al. Amour et tristesse verkoopt en ligt in grote stapels op de top 10 plank. Smeuïge verhalen over liefde en verdriet met onweerstaanbare femmes fatales in de hoofdrol. Daarin wil de opgejaagde mens zich verliezen.
De grenzeloze verbeelding van de ratelaars op X moet de dames en heren van korte verhalen aangezet hebben tot het uitroepen van de dag van collectieve treurnis, een snottebellendag. In mijn onnozelheid dacht ik om eerst de digitale allesweter te bevragen over wat een trieste dag feitelijk is. Ik hoor al een trieste-dag-deskundige opwerpen ’zitten zulke dagen niet in overvloed verscholen in kartonnen dozen op straat of onder een portiek beschut tegen de regen, of in de vele desolate bejaardentehuizen, waar we met een grote boog omheen lopen?’ Eigenwijs hou ik het bij mijn allesweter. Nu is de ene allesweter de andere niet, dat had ik kunnen weten, maar veel verder dan te antwoorden dat ik hulp moest zoeken, kwam het orakel van Delphi niet, al mijn gulle giften ten spijt. Totdat ik het orakel vroeg om een verhaal van honderd woorden te schrijven over een treurige dag, dan hoefde ik er slechts elfhonderd aan toe te voegen. Na wat denkwerk, waarop mijn rekentuig niet berekend was, kreeg ik antwoord. En je gelooft het niet, het zijn er precies honderd geworden.
’De ochtend begon met regen die tegen het raam tikte. Anna bleef langer in bed liggen, luisterend naar de stilte die te hard klonk. Haar telefoon bleef zwijgen. Op straat liepen mensen langs haar heen, ieder met een eigen haast, niemand keek op. In het café smaakte de koffie bitterder dan anders. Ze dacht aan wat verloren was gegaan en aan wat nooit meer terug zou komen. Tegen de avond brak de lucht even open, maar het licht voelde te laat. Anna sloot haar jas, ademde diep, en liep langzaam naar huis. Waar herinneringen zachtjes bleven fluisteren in haar hoofd.’
Amai, die arme Anna toch. Waaraan heeft ze dit verdiend? Of, was haar trieste dag de day after van ontnuchtering na haar allereerste onenightstand, en treurde ze omdat ze haar maagdelijkheid voor goed verloren was? Geen arm over haar schouder die haar op deze in en in trieste dag troostte. Uit welk boek zou de allesweter dat geput hebben, vroeg ik me af. Maar hij zweeg als een graf. Ook de ziel die het graf bewaakte tegen een al te grote tranenvloed deed er het zwijgen toe, want alleen op Allerzielen krijg je die aan de praat en dat was nog lang wachten na het prosit op de jaarwende, waarop we doen alsof we alle treurige dagen vergeten zijn, zonder weet van de ellende die ons te wachten staat. Meteen op de eerste dag is het raak en slaat een verdwaald projectiel een oog uit zijn oogkas. Een uitzonderlijk trieste dag, maar niet in Gaza of Oekraïne, want daar gebeurt zoiets dagelijks. Daar zijn trieste dagen gewoon, en is een gewone dag een perfecte dag, zoals de dagen van de schoonmaker van de openbare toiletten in Tokio, die in eenzaamheid zijn dagen slijt en elke dag vanaf hetzelfde bankje een foto neemt van dezelfde boom, wekelijks het filmrolletje laat ontwikkelen in diezelfde fotowinkel en de foto’s opbergt in een doos die een vaste plaats heeft in diezelfde wand vol gelijkvormige dozen. Liggen perfecte en trieste dagen niet slechts een bilnaad uit elkaar, vroeg ik me af. Of lopen ze zelf soms bruusk in elkaar over?
Zoals bij die hoogbejaarde man, Georges, die zijn levenslange onbaatzuchtige liefde verklaard had aan zijn even bejaarde vrouw Anna, die op een dag tijdens het heerlijke dagelijks ontbijt plots verlamd van haar stoel viel, waarna hij haar dagelijks als in een innige omhelzing sleurde van stoel naar WC en van WC naar bed en terug. Zijn onbaatzuchtige amour voor Anna deed hem boven zichzelf uitstijgen. Hij klaagde niet, vond zichzelf niet zielig, huilde niet, hield zichzelf in de hand, herschikte de dagelijkse dingen van zijn leven. Als zij het uitriep van de pijn, streelde hij zachtjes haar hand totdat de pijn was weggeëbd. Totdat, ja totdat … hij haar met een forse klap verloste uit haar lijden. Amour et Tristesse, ze lopen in elkaar over, het ene volgt uit het andere.
Nu dacht ik tijdens het opschrijven van die miserie om, gezien mijn gebrek aan schrijvenswaardige slechte dagen, zo’n dag te verzinnen. Een dag die niet slechter kon uitpakken, maar wel met een happy end, niet bij een masseuse, mocht iemand dit verwachten. Nu hoor ik je denken, dat ’verzinnen’ doen toch alle zichzelf respecterende schrijvers, en daar heb je gelijk in. Deze keer had ik echter geen tranentrekkende amour fatale voor de fijnproevers voor ogen, maar iets voor een andere groep, een grotere groep, de ratelaars van X.
Ik pakte mijn smartphone en liep naar een slager, een echte slager met karkassen op zijn hakblok en een bloederig schort om zijn hals geknoopt. Ik wilde een mooi stukje onherkenbaar karkas, niet te groot en niet te klein. De slager was meteen om toen ik hem mijn verhaal opdiste. Voortaan zou het verder door het leven gaan als het karkas van mijn schoothondje, dat ongemerkt zijn vrijheid had opgezocht. Die stoute sloeber van me had het met zijn jonge hondenleven moeten bekopen. Met huid en haar was het arme dier door een wolf verslonden. Wat overbleef was een bloederig karkas van afgekloven ribben. Wil je er nog wat ingewanden bij, had de slager gevraagd. Nee, dank je, het moet netjes blijven. We mogen Elon Musk niet tegen de haren instrijken. Thuis kreeg het karkas op de foto het mooi harig kopje van mijn poedel. Ik kon niet wachten om mijn trieste dag wereldkundig te maken.
De afbeelding van de bloederige resten van het hondenkarkas op X, met het onderschrift ’mijn arme poedel opgepeuzeld door een wolf’, bleek een schot in de roos. In een mum van tijd betuigden wel duizend ratelaars hun medeleven met mijn jammerlijke verlies, en wilden de jacht op het bloeddorstig beest openen. Waar is het gebeurd en wanneer, vroegen ze zich af in koor. Een van hen, kennelijk een rouwconsulent, spoorde de anderen aan om collectief het hondje te herdenken bij waxinelichtjes op de plaats delict. Maar de jagers hadden buiten de waard gerekend. Op hun beurt werden ze als dierenbeulen aan de X-schandpaal genageld. Een blinde dame deed er nog een schepje bovenop met haar aandoenlijke verhaal over de slechtste dag van haar leven. Niet de dag toen ze blind geworden was, wat een normaal mens zou denken, maar de dag toen een wolf vanuit het niets was komen opdagen en haar brave blindengeleidehond, die geen vlieg kwaad deed, had aangevallen, waarna ze met haar blindenstok het beest ternauwernood had kunnen verjagen voordat het een poot van haar hond had afgebeten. Meteen vroeg een geleerde zich af hoe een blinde vrouw het verschil tussen een hond en een wolf kon zien, waarna een amateurfilosoof er meteen aan toevoegde dat sommige mensen als wolven het niet kunnen laten om een ander een poot uit te draaien. Waarop een antiroyalist aanvulde dat prins Bernhard ook graag op neushoorns joeg en de hoorns zowaar als trofee in de nieuwe woonst van de koning hangen, waarop de republikeinen hun kans schoon zagen om een mars tegen de koning op te zetten, en een ware hetze in het land ontketenden. Het X-huis was te klein voor woorden, dit alles veroorzaakt op mijn trieste dag waarop mijn onfortuinlijk hondje door een boze wolf was opgegeten en ik een foto van zijn kadaver op X had geplaatst. Mijn slechtste dag kon niet meer stuk.
Voldaan leunde ik languit in mijn stoel, dankte de ratelaars voor hun medeleven onder het zachtjes aaien van mijn poedel door zijn krullige witte vacht. Hij had geen idee waaraan hij die vette kluif van de slager had verdiend.