Schoonheid van de verveling


Water, water …. en nog eens water.

Soms nooit eerder geziene kusten in de verte, die langzaam weer achter de einder verdwijnen.

Een traag voorbijvarend schip …. het monotoon zwiepen van de radar …. je gaat onbedaarlijk gapen van al die schoonheid.

Geen golfje dat als een springkussen de voorsteven doet duiken en wild terug doet opveren.

Geen meeuw die boven de achtersteven haar rondjes duikt.

 

Het schip ploegt en ploegt en ploegt voort.

Voorbij de achtersteven sluit het verstoorde water zich met schuimende tegenzin.

De ene keer bruint de namiddagzon onze gezichten onder een straffe zeewind.

De andere keer gummen regen en mist de einder uit en liggen dekstoelen er verlaten bij.

We klieven onversaagd door, zon of geen zon, blauw of geen blauw, met grijs onder ons, grijs boven ons. De minuten, …. uren … tikken weg.

 

De maaltijden zorgen voor beroering en verstrooiing. De verveling is omgeslagen in een aanval op het buffet, alsof alle ingehouden krachten plotsklaps zijn losgelaten.

 

Bij het invallen van de nacht liggen de binnendekken er stil en verlaten bij.

Buiten op het achterdek wordt de ondergaande zon door menigeen voor de zoveelste keer op de gevoelige plaat gezet.

De motoren laten zich door de schoorsteenpijpen horen als een grommend beest.

 

De laatste kajuitdeuren gaan op slot.

Binnen, geen gebrom, geen trilling, alleen het gewaai van frisse lucht. Je waant je in een sarcofaag waaruit je met moeite de volgende dag zult ontwaken, ondanks het vooruitzicht op nog meer schoonheid van de verveling.

Totdat meer dan een etmaal later nerveuze meeuwen de nabijheid van de haven aankondigen en al die schoonheid je als zand tussen de vingers glipt.