DAAN


Daan likt zijn wonden. Hij was een poot uitgedraaid. Nee, niet wat je denkt, geen figuurlijke poot, maar een echte poot. Door een wolf afgebeten bij een wandeling in het bos. Ik had die afgebeten poot nog meegenomen naar de dierenarts. Maar hij kon die niet hechten. Het arme dier zou steeds weer door die poot zakken, beweerde hij. En hij was de deskundige. Dus nam ik die afgebeten poot terug mee naar huis, Daan natuurlijk ook, en zette die poot aan de kook. Daan die zijn poot rook stak zijn neus in de lucht, en verheugde zich al in een lekkere bouillon. Maar die was niet voor hem, maar voor mijn vriendin. ‘Lekker bouillonnetje,’ zei ze bij de eerste lepel die ze geproefd had.

Dat arme dier met drie poten moest wel geholpen worden, vond ik, en zocht naar een geschikte prothese. Na veel vijven en zessen vond ik er een, niet bij een dierenarts maar een mensenarts. Hij kon zoiets maken, zei hij, met een app erbij voor de bediening. Een robotpoot, zeg maar. ‘Als je mij maar geen poot uitdraait, dan vind ik alles goed,’ was ik op mijn hoede. En zo kreeg Daan een heuse robotpoot aangemeten. Ik weet niet of hij blij was met zijn metalen poot en ik geloof dat het ook vreemd smaakte bij het likken. Nu, aan alles moet men wennen, ook aan een robotpoot, vertelde ik het dier met het vingertje omhoog. Het uitlaten was een plezier. Ik hoefde geen eindeloze rondjes meer te lopen totdat het hem beliefde om zijn poot op te tillen. Ik hoefde alleen maar op een knopje te drukken en die poot ging vanzelf al omhoog tegen een boom of schutting.

Eerlijk gezegd vond ik dit onhandig, en vroeg aan de mensenarts of hij zijn andere poot ook kon vervangen door een robotpoot, dan werd het allemaal weer symmetrisch en kon ik met een duw op het knopje mijn hondje laten zitten, of op zijn achterste robotpoten doen staan. Zoals de vorige keer nam ik de netjes afgezette poot mee naar huis en zette die aan de kook. ‘Lekker bouillonnetje,’ zei mijn vriendin opnieuw. ‘Waar haal jij die lekkere schenkels vandaan?’ ‘Bij de slager,’ zei ik, ‘daar hebben ze van die afgekloven karkassen. Je weet wel, ze worden tegenwoordig bij bosjes binnengebracht met al die loslopende wolven. Ik heb ooit zo’n half afgekloven karkas op X geplaatst. Je zult je oren niet geloven wat toen gebeurde.’ Mijn vriendin kon het niet geloven maar ze kon het zich wel inbeelden. Haar eerste hap van de bouillon was meteen de laatste.

Nu ging ik met mijn robothondje op reis. Bij het eerste het beste tolpoortje sprong het omhoog op de achterbank, terwijl ik op geen knopje had gedrukt. Nu was ooit zo’n Frans muisje op mijn voorruit ellendig aan het piepen gegaan bij een Belgisch tolpoortje dat kennelijk reageerde op Franse muisjes. Ik verdenk die Belgen dat ze hun muisjes in Frankrijk laten maken. Maar mijn robothond was toch puur Hollands, dacht ik, hooguit waren die poten Chinees. Ik probeerde het arme dier met mijn app tot bedaren te brengen. Maar niets hielp waardoor ik mij genoodzaakt voelde om een wegrestaurant op te rijden om Daan uit te laten. Hij huppelde en danste dat het een plezier was op die robotachterpoten van hem maar hij kreeg geen poot omhoog om te plassen. Ik kon natuurlijk de poten uitschakelen, maar dan was hij niet meer vooruit te branden geweest. Ik panikeer niet zo snel, maar dit keer wel. Ondertussen was heel wat volk komen aangelopen met de smartphone in de aanslag om dit wereldwonder op de gevoelige plaat te zetten en daarna op X te posten. Mijn robothond zou wereldnieuws worden. Kwam ineens iemand over mijn schouder meekijken, waarvan ik vermoedde dat hij vaak naar kunst en kitsch keek, gezien zijn vraag waar ik dat bijzonder beestje vandaan had gehaald. ’Van marktplaats,’ zei ik nonchalant alsof dit de plaats was waar je zulke rariteiten kunt vinden, waarbij de man dacht dat ik hem in het ootje aan het nemen was, en daar had hij gelijk in.

 

Waarna hij vroeg hoeveel ik ervoor betaald had en hij daarop zei dat ik een goede koop had gedaan. Ondertussen waren de batterijen in de poten leeg en kon ik mijn hondje zonder probleem in de auto leggen. Het lopen of dansen was voorbij. Terug thuis viel het moe in slaap terwijl zijn poten aan de oplader lagen. Ik bedacht nu pas dat ik die poten ook had kunnen losmaken bij dat wegrestaurant. Goede gedachten komen bij mij altijd te laat. Alles moet geleerd worden, al is het omgaan met de app van een robothond.

Op een dag was Daan ziek. Hij kon niet vertellen wat er scheelde, maar at niet meer, en mijn app kreeg hem niet uit zijn mand. In mijn onnozelheid consulteerde ik de dierenarts, die mij meteen duidelijk maakte dat hij geen speelgoeddieren kon herstellen en me naar een speelgoedzaak verwees. Dus probeerde ik het bij de mensenarts van vorige keer. Hij kon Daan ook niet beter maken maar had een geniaal idee. We vervangen ook de twee voorpoten door robotpoten, laten het hondje inslapen, zetten het beest daarna op en monteren de vier poten onder zijn gebalsemd lijf. Ik zag heel veel bouillonsoep voor mijn ogen. Of mijn vriendin dit zou lusten, was nog maar de vraag. ‘Kan je er dan ook voor zorgen dat het zijn kopje kan bewegen,’ vroeg ik. Dat vond de mensenarts geen probleem. Hij had weliswaar geen ervaring met kopprotheses, maar met bolgewrichten des te meer. Ik zag die echte robothond al helemaal voor me. Wat een feest moet dat worden om het dier uit te laten en zijn poot te laten heffen tegen elke boom en vooral … drollenzakjes waren niet meer nodig en het kon overal mee naar binnen, in musea, restaurants, kantoren, ziekenhuizen, vliegtuigen, noem maar op. Succes van de omstanders verzekerd. ‘Mogen we het beestje aaien?’ ‘Jazeker, dat mag,’ waarna de aaier ineens verschrikt achteruitdeinst omdat ik onmerkbaar op een toets van de app had gedrukt.

Toen ik fier thuis kwam met dat ding, sloeg mijn vriendin de handen voor de ogen. Hoe had ik het in mijn hoofd kunnen halen om haar hondje zo te massacreren tot een levenloos ding. Ik bracht nog in dat het hondje doodziek was en nu gebalsemd eeuwigheidswaarde had gekregen. Maar ze bleek ontroostbaar. Ik pakte mijn app en deed het hondje zitten. ’Kijk,’ zei ik ’hij wil je een pootje geven. We gaan er nog prijzen mee winnen op de robotbeurs.’ Die opmerking had ik niet moeten maken. Ze liep hevig ontdaan het huis uit. Ik was een robothond rijker en een liefde armer. Zou ik het ding een alles vernietigende mep geven, zoals het piepende muisje in mijn auto kreeg, voordat het in een vuilnisbak belandde? Ik keek in de ogen van de robothond. Wat zou hij zeggen? Ik opende de app, pijltje naar links was ‘nee’ schudden met het kopje, pijltje naar boven was ‘ja’. Ik voelde de spanning stijgen. Het hondje gaf geen krimp, maar keek intens verdrietig vanuit zijn scheef staand kopje. Of verbeeldde ik me dat? Hij ging liggen en wilde spelen. Onbewust had ik op het knopje ‘spelen’ gedrukt in de app. Ik pakte zijn speeltje en schopte het naar de andere kant van de kamer. Nog vlugger dan toen hij nog echt was had hij beet en bracht het terug. Dat laatste had ik hem in leven nooit kunnen leren. Op dat moment kwam mijn vriendin binnen en keek vertederd naar mijn spel. Ze nam me vast, gaf me een knuffel en fluisterde, ‘zullen we maar een echt hondje in huis nemen, en deze bewaren als souvenir?’ en ze wees naar de robot. ‘Kijk eens naar dat kopje,’ zei ik en drukte op het pijltje omhoog, ‘Daan knikt ja.’ ’Heb je nog een kopje heerlijke bouillon voor me?’ plaagde ze. Ik knikte ja, waarop we in een danige lach schoten en in het divan belandden.