Paasklokjes
Het is geen mens opgevallen, die stilte na Witte Donderdag. Nochtans, de klokken en bellen hebben sinds twee dagen gezwegen. Naar Rome waren ze vertrokken vertelde men destijds. Klokken hadden vleugeltjes gekregen en waren als duiven losgelaten uit hun hoge torens. Moeilijk voor te stellen die zwermen klokken die van overal vandaan opdoken als verschrikte vleermuizen opvliegend uit hun holen, dikke zonsverduisterende strepen trekkend in de luchten richting het zuiden. Waar die grote dingen dan in godsnaam neerstreken eenmaal ze de koepel van het Vaticaan onder hun vleugels zagen, was voor iedereen een raadsel waar we niet al te lang bij stil bleven staan. Het was een van de vele onbevattelijke mysteries van onze jeugd. Niet alleen de klokken zwegen, maar ook de misdienaars rinkelden hun bellen niet meer tijdens de erediensten. Bracht dit rinkelen altijd wat spanning met zich mee – want de timing moest precies goed zijn, niet te vroeg en niet te laat, niet te kort en niet te lang – nu was die spanning er niet minder om met die houten ratel, die de pastoor van zijn mosselman te leen had gekregen. Vanuit de verte zag ik dit intrigerende, eigenlijk heiligschennend houten ding op de koortrap staan. Het paste dan wel in de knoestige hand van een mosselman die zo'n ratel zonder probleem om het handvat kon doen ronddraaien en het als een angstige kraai kon doen uitschreeuwen, maar een jonge misdienaar is toch verre van een mosselman. Want de kinderen van mosselmannen werden geen misdienaar, alhoewel ze met zo'n ratel wel wisten om te gaan. En dus gebeurde het wel eens dat de ratel krijsend slechts een hele of halve salto maakte als een zieltogende kraai tollend op haar rug op de tonen van de lamentaties van de pastoor. Vanaf vandaag hebben de klokken hun nesten hoog in de torens weer ingenomen. Hun vleugels zijn gladgestreken, niet voordat ze hun eieren kwistig in velden en tuinen in de rondte hebben uitgestrooid, ten teken van hun vruchtbaarheid. Eieren van klokken die voor eventjes grote vogels waren, waarvoor bronstige hazen angstig hun holen in schoten om er hun ontembare procreatiedrift te verzadigen.