Gesprek met een moordenaar


'Ada Lansbergen'. Ge zult zeggen, Ada Lansbergen, waar begint ie nu over? En gelijk heb je. Waarom begin ik nu eigenlijk over Ada Lansbergen zo vlak voordat ik straks vertrek naar Toeze? Een doodgewone vrouw trouwens, die in een flatwoning woonde aan de Papsouwselaan te Delft. Ik kende haar noch van haar noch van pluim. Ze kon er ook nog niet zo lang gewoond hebben want die Papsouwselaan in de Poptahof lag in een laat 60-ger jaren nieuwbouwwijk vol galerijflats 15 hoog. Ik kwam er nooit. Het waaide en stoof er altijd en het gelijkvloers was een troosteloze aaneenschakeling van garagedeuren. Typisch een wijk waar je slechts in uiterste nood doorheen liep, laat staan in ging wonen. Want, zeg het nu zelf, alles is beter dan inwonen bij je schoonouders, al is het 12 hoog in een duivenkot. Voor Ada Lansbergen zal het niet anders geweest zijn. Ze was toen ik van haar hoorde pas 21 jaar oud en net twee maanden getrouwd. Ze werkte niet, want dat was in die tijd 'not done'. Zodoende zat ze de godganse dag alleen in die flatwoning. Het gerucht ging dat veel vrouwen toen wat bij klusten met wat trek en pijpwerk. Niet te verwonderen, want met de komst van de pil waren de zeden in die tijd danig aan het verwilderen. Ada Lansbergen, haar meisjesnaam was eigenlijk Hölscher, was echter een nette vrouw die zich met dat soort dingen niet inliet. Waarom ze op een koude 24 novemberdag in 1970 in de vroege ochtend haar voordeur opendeed voor een onbekende man en hem ook nog eens binnenliet is nog steeds een raadsel. Maar goed, de man deed zich voor als een controleur. Bovendien was hij jong en zag er goed uit. Voor Ada was het een fatale fout. Haar gastvrijheid moest ze bekopen met de dood. Eerst werd ze dronken gevoerd en daarna gewurgd. De hele dag heeft ze in huis gelegen totdat haar man haar bij terugkeer van zijn werk dood aantrof. Een klassieke huurmoord zou je op het eerste gezicht denken. Maar daarvoor moet je in Italië zijn en niet in Delft.
Wekenlang was het stadje in de ban van de wurgmoordenaar die ze maar niet konden pakken. Een huurmoordenaar zou zijn geld incasseren en zich verder koest houden. Maar deze man genoot kennelijk van de belangstelling en begon brieven te richten aan De Delftse Courant. Hij had zich van verdieping vergist en wilde eigenlijk de vrouw van een politie-inspecteur die onder het slachtoffer woonde treffen.
En zo kwam het gezapig Delft in de ban van de 'Delftse wurger'. Maar goed, het steedse dorpsleven ging verder. De betere klasse bleef haar boodschappen doen bij Albert Hein en de middenklasse ging naar de grootgrutter De Gruyter alom bekend voor haar 'snoepje van de week'. Zo ook mijn echtgenote, want er was een De Gruyter juist om de hoek. Ze kwam er graag want de bediening was vriendelijk en als je het wilde werden de boodschappen thuis gebracht. Bij de groenten werd je keurig geholpen. Een behulpzame groenteman bracht de tas van bejaarden naar de kassa of verving een bedorven sinaasappel door een beter exemplaar. Hans heette hij. Een goeiige 25-jarige knul, getrouwd en vader van een kind. Je zou hem de communie geven zonder biechten.
Aangezien we indertijd 'de Tijd' lazen, een landelijke krant, die zich niet zo met moorden bezig hield, waren we op De Gruyter aangewezen om er de smeuïge verhalen in de Delftse Courant te lezen.
“Wat een toestand” hoorde mijn echtgenote ineens achter haar rug, terwijl ze de krant inzag. Het was Hans.
“Ja zegt dat wel” zei mijn echtgenote “de kranten staan er vol van.”
“En ze krijgen hem maar niet te pakken.”
“Nee. Een rare toestand is het.”
“Zal ik de boodschappen naar huis brengen?” vroeg hij behulpzaam als immer.
“Dat is heel vriendelijk van u, maar ik doe dit liever zelf,” probeerde mijn echtgenote hem van zich af te schudden.
“Geen probleem mevrouw, nog een prettige dag verder,” en weg was hij.
De volgende dag viel zoals elke Woensdag de 'Delftse Post' in de brievenbus, een lokaal krantje dat leefde van advertenties en zoekertjes. De 'Delftse wurger gepakt' schreeuwde het krantje het uit in koeien van letters. Hij had het een tweede keer geprobeerd. Het was een keer teveel want de vrouw had van zich afgebeten en hij was in de val gelopen.
“Het zal toch niet waar zijn?” riep ik uit toen ik de foto van de man zag. Zelfs met een zwarte balk door de ogen herkende ik hem. Ik riep mijn echtgenote erbij. “Moet je eens zien. Is dat de groenteman van De Gruyter niet?”
“Ja, dat is hem. Ik heb er gisteren nog tegen staan praten over wie toch die moordenaar zou kunnen zijn. Hij wilde zelfs nog de boodschappen thuis brengen!?”
“Nee toch?!”
Wat een raar idee als je beseft dat drie weken lang een moordenaar op amper 100m van je huis aan het werk was. 's Anderendaags vroegen we het voor alle zekerheid aan de caissière. “Is het Hans die ze opgepakt hebben?”
“Ja, maar sht, zachtjes! Ze hield haar wijsvinger aan de mond. “We houden het stil.”
Inderdaad de behulpzame groenteman was er niet meer.