Kunstje verleerd


Het is nog vroeg in de schemerochtend. Hoe hard de wind ook blaast, het brengt de kale bomen slechts met tegenzin in beweging. Een gezette dame doet vandaag het prikwerk in de apotheek vlakbij. In de patiëntenstoel gezeten, die beter zit dan haar kleine krukje, doodt zij de tijd totdat een patiënt zich aandient. De huisarts wil iets om handen hebben om over te praten bij mijn jaarlijks bezoekje. Ik heb mij bij dit overbodige ritueel neergelegd. Kennelijk opgelucht bij mijn binnenkomst, vraagt de gezette dame “Heeft u een identiteitsbewijs bij u?”. Uit pure balorigheid die spontaan bij mij opkwam, overhandig ik mijn Belgische ID-kaart. “En wat is uw burgerservicenummer?”. “Ja dat weet ik niet”. “Volgende keer doe ik mijn gele ster op” riposteer ik geïrriteerd. “Uw geboortedatum?” vervolgt zij. “Dit heeft u toch kunnen lezen van mijn ID?. “Ja, maar we moeten het ook nog eens vragen”. “Wil men dan ook nog nagaan of ik al of niet dement ben, voordat geprikt wordt?” “Normaal krijg ik niet zoveel commentaar. Ik doe ook maar wat mij gevraagd wordt”. Dit laatste maakt het voor mij nog alleen maar erger. “Zestig jaar geleden was dit ook zo, en we kennen het desastreuze resultaat”. Het boek “De Welwillenden” van Little zit kennelijk verankerd in mijn onderbewustzijn. “Hoelang woont u al in Nederland?” probeert ze het gesprek nog ten goede te keren. Als ik vermoed dat de persoon die dit vraagt nog bij lange na geen 50+ is kom ik steevast met mijn al even onthullend als onverwacht antwoord. ”Ik denk dat ik al langer in Nederland woon dan u”. Hoe kan dit nu, zie ik haar denken. Ik woon hier dan toch al heel mijn leven? “Maar ja, als u jonger bent dan veertig dan woon ik hier al langer” leg ik uit. En zo was het ook. “Dit ongewone gesprek had haar zelfverzekerde uitstraling, gestoeld op haar prikkunstje, een aardige deuk gegeven. Eenmaal zich bewust van haar plek in de rang en pikorde, vond ik de tijd aangebroken dat ze met haar kunstje wilde beginnen. Daar waar een ander losjes met de wijsvinger op de ader duwt totdat deze opkomt, dreef zij meteen de naald pijnlijk in de arm. De plek vond ik al ongewoon. Nimmer was daar een ader gevonden. “Ik zit er zeker doorheen?” verzuchtte ze toen de buis leeg bleef. “Nee, ik heb weinig bloed” legde ik uit. Ze sloeg er geen acht op. Dan maar de andere arm proberen. Met “Ik ben vroeger tweewekelijks naar de trombosedienst geweest, en dit is me nog nooit overkomen” wakkerde ik haar onzekerheid bewust verder aan. Zij beheerst toch het kunstje? Dan moet ze het ook kunnen laten zien. Zonder de ader rustig te laten opkomen, ging de naald er prompt weer in, opnieuw op een voor mij ongewone plaats. Opnieuw vloeide geen bloed. “Zullen we er dan maar mee ophouden?” opperde ik. En zo geschiedde. “Sorry” zei ze nog beduusd toen ik wegging, twee overbodige pleisters op mijn armen rijker. De enige patiënt na mij wimpelde ze voor een onduidelijke reden af. Twijfelend aan haar prikkunstje trok ze de deur achter zich dicht. Ze kon nu op haar stoeltje tussen haar tubetjes en naalden haar tijd doden met nadenken over hetgeen haar overkomen was in de vroegte van deze schemerochtend.