Gesprek bij een tramhalte
“Alles slaat tegen vandaag en nu mis ik ook nog mijn tram naar het station ook” moppert een gezette niet zo'n jonge madam hoorbaar in het tochtig wachthokje waarlangs het verkeer naar de ring van Antwerpen jachtig voort dendert. Haar veel te zware tas trekt haar beige halflange regenjas scheef over de schouders.
“Ja madame, je moest maar een beetje eerder opgestaan zijn” repliceer ik bijna vermanend. Ik kan niet zo goed tegen madammen die doen alsof hun altijd alles tegenzit, hun leven zo moeilijk is, alles te wijten is aan hun vent.
“Ja, had ik dat maar gekund. Maar mijn arm lag onder mijn oorkussen en wilde maar niet wakker worden” vergoelijkte ze.
Zoiets had ik nog nooit eerder gehoord of gelezen. Wel eens over iemand die zijn eigen been uit bed wilde schoppen maar niet dat een arm niet wakker wilde worden.
“En wat heb ge dan gedaan?” vroeg ik geïnteresseerd.
“Ja, wat kon ik eraan doen? Ik heb mijn man nog gevraagd om eraan te schudden, maar in plaats van mijn arm ging het hele bed te keer! Ge weet wel. Ge moet een man maar een vinger geven en ze nemen je gehele arm”.
Het werd steeds interessanter. “En dan...?”
“Wel ja, wat dan? dan viel hij in slaap op mijn oorkussen waaronder mijn arm lag. En ge moet weten, mijn man is een zware jongen. Ik heb nog gepeinsd aan Rubens, onze hond, maar die komt alleen maar voor zijn eten uit zijn bakske”.
“Dat is straf”
“Zeg dat wel, dat is zeker een straf. Het was dan nog mijn goede arm ook, de arm waarmee ik alles doe”.
“Maar hoe zijt ge dan losgekomen?”
“Ja, voor mij is dat ook een raadsel. De tv sprong ineens aan. De zapper lag zeker nog ergens in bed. Enfin, mijn man schrok zodanig dat hij direct wakker schoot en mijn arm losliet”.
“Nou ja. Eind goed, alles goed dan?”.
“Je hebt mooi praten gij. Ik mis wel mijn tram nu en ook nog mijn trein”
“Zo erg is dat toch ook weer niet?”
Nu breekt ze in snikken uit en raakt in paniek.
“Maar ik zal de euthanasie missen! Ik moet er over een uur zijn. Mijn man heeft me gestuurd”.
My goodness. Een doodgewone vrouw op weg naar een euthanasie staat te wachten op een tram. Zowaar geen alledaagse gebeurtenis. Ik begin snel te denken. Zouden ze die euthanasie niet even kunnen uitstellen. Kunnen ze die man of vrouw niet vertellen dat de executie een uur later zal zijn? Zoiets als een ter dood veroordeelde die hoort dat er nog een laatste beroep in behandeling is. Hoe kunnen we de plaats des onheils waarschuwen?
“Wiens euthanasie dan?” vroeg ik verbijsterd.
“Wiens, wiens? De mijne natuurlijk”
Mijn mond viel open.
“En ge staat er zo kalmpjes bij?”
“Moet ik dan zenuwachtig zijn?”
“Nou, elk normaal mens zou dat wel zijn, ja”.
“Ben ik dan abnormaal?” werpt ze op.
“Ik denk dat ik niet de enige zou zijn die er zo over denkt”
De tram nadert. Ze grist in haar tas. Ze loopt rood aan.
“Nu ben ik mijn formulier ook nog kwijt. Mijn man had er nog zo de nadruk op gelegd. Hier moet je straks tekenen. Hier bij het kruisje”.
Ik laat de tram lopen. Zij ook. We blijven alleen achter in het tramhokje. Zou zij een spelletje met me gespeeld hebben? Over welk formulier heeft dat mens het toch?
Ineens rinkelt haar telefoon.
“Nee, nee … ik kom niet …... ik ben van gedacht veranderd ..…. mijn formulier heb ik niet .... nee, ik wil niet meer...”
“Kom” zei ik “laten we wat gaan drinken in de Bleeding Nose”.