Vlaams gemijmer ....

'T were wil nog niet meewerken met sinksen. Een sluier van watte-wolken verduukt de zunne zoals het gezicht van een moslima achter haar zwarte boerka. 'T is wel een vrouwmens dat ge ziet, maar meer niet. Waarom we vroeger, toen er nog geen moslima's in ons dorp woonden, niet zeiden dat de zunne achter die sluier er uitziet als een nunne, want die zijn ook helemaal in 't zwart ingeduffeld, zal wel komen door onze opvoeding van meneer de paster.

Vroeger hoorde 't volk 't klappen van de zwepe en stoorden zich niet aan het klappen van de wieken van water- en korenmolens. Maar tegenwoordig kunnen de mensen daar niet meer tegen. Waar kunnen ze eigenlijk nog wel tegen, vraag ik me af. 'T were moet meewerken of ze klagen steen en been dat hun weekeinde naar de klootten is. Nu staan ze liever met hun auto in de reke naar de kust waar 't zoveel beter is dan in hun doods dorp, waar meneer de paster zonder zijn zwarte soutane het nu wel minder voor 't zeggen heeft dan weleer. Maar sedert dat we gehoord hebben dat zelfs de bisschop met zijn poten van onze jongens niet kon afblijven, weten we 't wel zeker dat 't geen doodzonde kan zijn om niet naar de messe te gaan en dat we godverdomme mogen zeggen als de reke naar de kust maar niet wil opschieten. En als de reke dan toch ineens oplost en we gearriveerd zijn aan zee mogen we weer godverdomme zeggen omdat we geen plaatse kunnen vinden voor de auto. En als we dan een plaatse gevonden hebben voor de auto – we weten dat dit den dag van vandaag niet gemakkelijk is – dan zeggen we godverdomme omdat we geen plekke kunnen vinden om t' eten. En als we dan eindelijk eten dan is 't weer godverdomme omdat teten niet teten is of omdat onze Valeer of Lenneke op hun trui gesturt hebben en die vlekken er ook met de modernste wasmachines niet meer uitgaan. En als Lenneke of Valeer met hun vlekken er niet uitzien, dan is 't klote dat ze toch niet zo op de dijk kunnen wandelen omdat dan 't volk die vlekken zou zien en denken dat we vuile mensen zijn. Waarom zijn we toch naar zee gegaan?

We staan weeral in de reke om thuis te geraken. Valeer of Lenneke met hun vlekken op hun trui bleiren dat ze 't water en 't zand niet gezien hebben want ze mochten niet op den dijk. En terug thuis kijken we naar de televisie.

De reke naar de kust waar 't zwart van 't volk was, was nog nooit zo lang geweest. 'T is gelijk dat we een beetje trots zijn dat we ook in die reke gestaan hebben. En ware 't niet van die vlekken op de trui van Valeer of Lenneke dan waren we ook op den dijk geweest, die zwart zag van 't volk. Maar die vlekken gaan er niet uit met een wasmaschien, ook met de duurste niet. Op 't werk de dag nadien spreken we alleen nog over die lange reken, het zoeken naar een plekke voor de auto en 't slecht eten. Vroeger mochten we op 't werk niet babbelen over zulke dingen, maar de bazen van vandaag zijn niet meer die van gisteren. Want net als 't volk stonden ze ook in de reke of ze nu in een grote SUV reden of niet, of ze nu in een mooie villa aan de rand van 't dorp wonen in plaats van in een reekhuus waar 't volk woont of niet. En alhoewel teten aan de kust de bazen wel smaakte was 't veels te duur. En dus waren ze maar 1 keer gaan eten in plaats van 2 keer.

En als 't geen were is omdat 't regent dat 't giet, dan blijft 't volk thuis in zijn lelijk reekhuus en de baas in zijn mooie villa, en blijft de dijk leeg. Maar omdat de vlekken in de trui van Valeer of Lenneke er niet meer uitgewassen kunnen worden, kunnen ze toch niet op de dijk als 't zwart ziet van 't volk. Maar als 't regent wel, maar dan heeft 't volk geen goesting.

En meneer de paster die 't volk niet meer in de biechtstoel ziet om te manen dat ze geen godverdomme meer mogen zeggen en daarvoor drie Weesgegroeten moeten lezen, kan 't niet schelen welk were 't is. Hij loopt niet op de dijk, were of geen were. Want als hij in zijn soutane op den dijk zou lopen en naar de kindjes op 't strand zou kijken, zou 't volk denken dat hij voor de kindjes is. En de moslima dan? In haar lange zwarte boerka valt ze niet op als 't zwart is van 't volk op den dijk. En als de zunne schijnt is 't te warm onder die jas. Dus blijft ze thuis. Zoals die moslima in haar zwart gewaad in een lelijk reekhuus rechtover ons huis die maar onophoudelijk achter 't raam heen en weer beweegt alsof ze stiekem verboden genot opzoekt. Alhoewel ... het duurt wel erg lang vooraleer ze klaar is. Of was het toch een hersenschim? Meneer de paster van 't dorp zou 't wel willen weten vooraleer hij ze met drie Weesgegroeten de biechtstoel uitstuurt en tussen de benen bevredigd achterblijft.