De zetel van de Société Chimique de France
De rue Saint-Jacques loopt vanaf de linkeroever van de Seine recht omhoog naar het klooster van Port-Royal dat toen buiten de muren van de stad lag. Voorbij de lange gevel van de prestigieuze Sorbonne ligt de Église Saint-Jacques met daarnaast het instituut voor blinden en doofstommen, het vroegere Magloire seminarie van het Oratoire de France. Op de straathoek voor Port-Royal staat het imposantste gebouw, de voormalige koninklijke abdij en militair hospitaal, Val-de-Grâce, dat in opdracht van de echtgenote van Lodewijk XIII, Anna van Oostenrijk, was opgericht. Geen wonder dat het kantoorgebouw van de Société Chimique de France onder dat monumentale geweld niet opvalt en de voorbijgangers het met een haastige tred voorbijlopen. Nu voelde ik hun vragende blik toen ik in alle vroegte onhandig de sleutel in het slot draaide om de wachtende cursisten binnen te laten. Elke ochtend opnieuw gaf het me een vreemd gevoel om de deur van de zetel der scheikundige wijsheid te mogen openen. Staatsieportretten van de grote Franse scheikundigen in de grote vergaderruimte herinneren ons aan dit luisterrijk verleden: Antoine Lavoisier, Joseph Louis Gay-Lussac, Henri Louis Le Chatelier, Marie Curie, Louis Pasteur. Stuk voor stuk illustere voorgangers. Onze cursuszaal aan de straatkant op de eerste verdieping, moest het zonder staatsieportretten doen. Alleen de zetel vooraan in de hoek van de zaal herinnerde ons nog aan het verre verleden. Zou Louis Pasteur ooit in die zetel gezeten hebben? Ik liet mijn verbeelding de vrije loop.
Op een dag verschenen rode vlekken op mijn handen, armen en benen. Zou ik iets verkeerds gegeten hebben tijdens een van onze lunches met de cursisten bij chez Léna et Mimile op de helling van de rue Tournefort. Ik vroeg het me af. Terug thuis aarzelde mijn lijfarts om de bron van die vlekken te onthullen. Vlooien meneer, vlooien. Die verdomde zetel van de Société Chimique de France. Was ik maar niet pontificaal in dat muffe ding gaan zitten. Ik schrok me een goedje. Gelukkig dat ze niet besmet waren door de pest, moest ik glimlachten, want anders was ik er geweest.